Wat een vertelletje mij leerde over ADHD

‘Mamma, ik wil even een vertelletje zeggen!’

De spraak van mijn dochter was, toen ze vier was, heel creatief. Als docent Nederlands genoot ik ontzettend van haar vindingrijkheid met taal. Ze maakte niet alleen de fouten die elk kind maakt als het leert spreken; ze plakte ook woorden aan elkaar om nieuwe woorden te maken, omdat die volgens haar beter klopten. Voor ons was dat heel gewoon. Naarmate haar woordenschat groeide, deed ze het helaas steeds minder.

Tijdens het onderzoek naar haar ADHD – ter bevestiging van wat wij eigenlijk al wisten – vroeg de orthopedagoog: ‘Heb je toen je klein was weleens woorden verzonnen? Of een hele eigen taal gemaakt?’

Wij konden dat als gezin allemaal beamen. Schuinbeweging dekt de lading toch prima als je afbuigt op het voetbalveld? En als je allerlei trucs hebt waar anderen om moeten lachen, dan klinkt giecheldoosje eigenlijk veel logischer dan goocheldoosje.

Mensen met ADHD hebben vaak een sterk associatief brein: ze leggen snel verbanden en als er geen woord voor bestaat, verzinnen ze er gewoon zelf een. Soms gaat hun brein bovendien sneller dan hun spraak. Dan ontstaat een nieuw woord niet alleen uit creativiteit, maar ook omdat dat nu eenmaal sneller is.

Ook nemen mensen met ADHD taal regelmatig heel letterlijk.

Een dochtertje van een vriendin kwam spelen met mijn dochter. Ze speelden Wie ben ik? Het meisje had een afbeelding van een eenhoorn op haar voorhoofd.

‘Je bent een dier dat niet bestaat,’ kreeg ze als hint.

Direct kortsluiting.

‘Hoe kan ik iets zijn dat niet bestaat? Dan ben ik er toch niet?’

Thuis vertelde ze aan haar vader welk spel ze hadden gespeeld.

‘En wie was jij dan?’ vroeg hij.

‘Ik ben mezelf!’ antwoordde ze, terwijl ze hem aankeek met een blik die zei: Dat is toch logisch?

Kom in gesprek

Maak online een afspraak voor een intakegesprek of neem contact op voor meer informatie.

 

Laten we Kennismaken? Afspraak inplannen